september 1824, alles tegen de desertie

Op dinsdag 14 september 1824 schrijft de permanente commissie aan de Administrateur van het Armenwezen bij het ministerie van Binnenlandse Zaken, Drents Archief, toegang 0186 invnr 355:

 

Kennis genomen hebbende van de daarbij berigte terugzending naar de Ommerschans van den indertijd daaruit gedeserteerden persoon van J.P.F. Reymenants, hebben wij de eer, UWHEdG., opzigtelijk het daarbij tevens gedaan verzoek tot het nemen, zoo mogelijk, van strengere voorzorgen tegen de desertie uit het gem. etablissement, te andwoorden dat wij, mede het grootste belang stellende in de verhindering van de ontvlugting uit de Om­merschans, op nieuw onze eigen middelen van surveillance hebben doen vermeerderen, onder andere door de aanstelling van een grooter getal wachters te voet en te paard bij en om het etablissement.

Wij hebben zulk te meer moeten doen, om de ondervinding, dat in de naburige gemeenten, alwaar de deserteurs noodwendig moeten passeren niet die aktiviteit tot aanhouding plaats vindt, welke wij ons gevleid hadden, dat door de aanschrij­vingen van het Gouvernement, en de door ons uitgeloofde en betaald wordende premie zoude zijn te weeg gebragt.

Voorts hebben wij mede op nieuw de Heeren Gouverneurs van de naburige provincien dringend verzocht om de surveillance op de belangrijke punten van passage te doen vermeerderen; gelijk ook de policie te Amster­dam – die zich daartoe alleszins bereid getoond heeft – om het toezigt op de over de Zuiderzee aankomende beurtschepen te verdubbelen.

Wij vertrouwen derhalve dat zoo wel de door ons uitgebreide maatre­gelen van surveillance tegen de desertie, als de ingeroepene medewerking van de verm. ambtenaren, hen die nogtans uit het etablissement mogten ontkomen, zal doen aanhouden en terugbrengen. De Amsterdamsche policie heeft dan ook reeds merkelijk dezer dagen, 6 vroeger gedeserteerden terug gebragt en bovendien eenige ander opgespoord.

Daar wij de terugbrenging van deserteurs van het grootste belang beschouwen, als zijnde overtuigd, dat dezelve het krachtigste middel is, om de desertie bij de overige voortekomen, zoo meenen wij UWHEdG. hierbij nog te moeten mededeelen, dat indien wij van ter zijde wel onderrigt zijn, er zich eenige deserteurs uit de Ommerschans in het werkhuis van Amsterdam zouden bevinden, in wier uitlevering aan en terugvoering, door de policie de Reg. van dat werkhuis zwarigheid zouden maken.

Van UWHEdG. aangebodene medewerking tot het verhinderen en tegengaan der desertie uit de Ommerschans, gaarne gebruik makende, nemen wij de vrijheid, UWHEdG. derhalve aanvankelijk te verzoeken, om, indien zoodanige deserteurs werkelijk in het verm. werkhuis mogten zijn opgesloten, de uitlevering en terugzending naar de Ommerschans derzelven te willen bewerken.

 

Over de genoemde Pierre Reymenants zie deze pagina

Over de kwestie met de Amsterdamse deserteurs gaat het verder op deze pagina.