rest 1820, de eerste strafkolonisten

Al vanaf het moment dat de Maatschappij het vruchtgebruik van de Ommerschans heeft gekregen, is er sprake van mensen uit de vrije koloniën daarnaartoe te sturen. Die wens komt voor in diverse brieven van Johannes van den Bosch en speelt bijvoorbeeld een rol in de discussies met Maassluis en Tiel over de naar huis terug gestuurde kolonisten uit die plaatsen, respectievelijk Ian Breukel, zie hier, en Hendrik Vos, zie hier.

 

Het gaat niet door omdat de accomodatie te wrakkig is om iemand in op te sluiten. Maar daar wordt aan gewerkt.

Op zondag 10 september 1820 meldt het brievenboek met invnr 19 dat directeur Benjamin van den Bosch:

Berigt de kolonie de Ommerschans te zullen gaan bezichtigen, en van deszelfs bevinding rapport doen

 

En bij de notulen van diezelfde dag, invnr 38, wordt:

Besloten den Direkteur aanteschrijven, om den sergeant Zyll met zijn huisge­zin te ver­zenden naar de Ommerschans; en het wees­meisje uit ’s Hage meede derwaards te expe­diëren.

 

Dat weesmeisje, Betje Liefmans, ingedeeld bij Hendrik Rigagneau, zal volgens latere overzichten pas in januari 1821 in de strafkolonie aankomen. Het brievenboek met invnr 19 meldt op 12 september 1820 dat de directeur:

Doet gunstig verslag zijner bevinding van de kolonie de Ommerschans.
Berigt eene voorgevallen onaangenaamheid met de arbeiders aldaar.

 

Datzelfde doet ook Johannes van den Bosch op 16 oktober 1820 volgens de notulen van de permanente commissie met invnr 38:

meldt de gunstige bevinding der kolonie aan de Ommerschans

Diezelfde notulen wordt besloten de regenten van het Delftse weeshuis voor te stellen de drie uit de kolonie weggelopen jongens over te brengen naar de Ommerschans. Zie over die jongens deze pagina. De weeshuisregenten gaan akkoord en in de notulen van zaterdag 21 oktober 1820, invnr 38, wordt:

Besloten den Direkteur aanteschrijven, den drie weeskinderen uit Delft, welke op hunne terugreize naar de kolonie zijn, wanneer zij zullen zijn aangekomen, naar de Ommer­schans te verzenden

 

De notulen van 3 november 1820, invnr 38 melden dat de directeur heeft geschreven:

(…) dat de 3 jongens uit Delft aange­komen zijn en naar de Ommerschans worden getranspor­teerd

 

Volgens dit overzicht komen de jongens daar op 2 november 1820 aan.

 

Die notulen van 3 november 1820, invnr 38, melden ook de ontvangst van een brief van:

Adjunkt Direkteur Visser, Ommerschans, 1 november. Meldt dat de zoon eenes fabri­kants in wollen stoffen te Oldenzaal, die hem als zeer geschikt voorkomt, en bekend is met de wolspinnerij en weeverij, maar niet met de vlas spinnerij, genegen is de post van onder­baas in de Ommerschans uit te oefenen, en voorstelt, één, twee of drie maanden, tegen een door de P.K. te bepalen dédomagement, naar mate zijner bekwaamheden, provisio­neel die functie waartenemen, mits ten min­ste één maand te voren gewaarschuwd wor­dende.
Besloten te schrijven dat die jongeling, zoo spoedig mogelijk kan worden aangenomen; met kennisgeving dat hij zoo spoedig doenlijk naar de Ommer­schans overkome

 

Het brievenboek tenslotte van zondag 3 december 1820, invnr 19, gaat over de naar de Ommerschans gezonden landmeter H. de Jong en maakt melding van de ontvangst van een brief van:

De Adj. Direkteur Visser aan de Ommer­schans. Belooft den Hr. de Jong in zijne werkzaamheden te zullen helpen.
Stelt voor de zoo spoedig mogelijke aanbe­steding van huizen aldaar.
Zoo ook het doen vervaardigen van kruijwa­gens en tafels van het aldaar voorhanden zijnde hout.
Vraagt gedurende den winter eenigen tijd verlof.

 

Er zijn nu bewoners op de Ommerschans, maar verder doe ik op deze pagina’s niets aan de strafkolonie, maar beperk ik mij tot het bedelaarsgesticht en de hoeves. Voor de strafkolonie verwijs ik naar deze pagina.