Koninklijk Besluit 6 november 1822

Gezien het rapport van de Commissie benoemd bij ons besluit van den 3 januarij ll. N36, en belast met het onderzoek naar der waaren staat der armen, in de onderscheidene provincien des Rijks, in dato 16 februarij 1822 N2 uitgebragt op een ontwerp van de Maatschappij van Weldadigheid, nopens het plaatsen van een aantal vondelingen, wezen en bedelaars in de kolonien door de Maatschappij opgerigt.
Gezien de voordragt van de Permanente Commissie van de Maatschappij van Weldadigheid in de Noordelijke Provincien in dato 27 julij ll. no. 75/7 betrekkelijk het hiervorengaande onderwerp alsmede nopens de middelen welke dienstig worden geoordeeld tot beteugeling en weering der bedelarij.
Gelet op de rapporten van onzen Minister van Binnenlandsche Zaken en Waterstaat van de 26 september ll. a5572 no.18 BZ en 6625 N30 BZ waaruit blijkt onder anderen van de genegenheid van de Maatschappij van Weldadigheid in de Noordelijke Provincien om een zeker getal vondelingen, verlatene kinderen of weezen, huisgezinnen en bedelaars gedurende 16 jaren optenemen.
Overwegende de noodzakelijkheid om de bedelarij te beteugen en om tevens maatregelen te nemen ten aanzien van kinderen en andere hulpelooze personen, behorende tot de huisgezinnen van bedelaars die in de gestigten der Maatschappij van Weldadigheid zullen worden geplaatst, als mede nopens de vondelingen, verlaten kinderen en wezen.
Gelet op het Reglement voor het bedelaars werkhuis te Hoorn, goedgekeurd bij ons besluit van den 20 november 1817 N123.
Gelet op ons besluit van 13 maart ll. N22.

Hebben besloten en besluiten

Art. 1
De bepalingen van het Reglement voor het bedelaarswerkhuis te Hoorn voor zoo veel hetzelve handelt voor de maatregelen tot wering der bedelarij, zullen ook toepasselijk zijn op de bedelaars gestichten der Maatschappij van Weldadigheid in de Noordelijke Provincien.
Dienvolgens zullen alle de personen van wat jaren of kunne, welke bedelende worden gevonden, buiten de plaats hunner woning naar een dezer inrigtingen kunnen worden opgezonden van wege het hoofd des bestuurders van de plaats binnen welke zij alzoo bevonden worden te bedelen, en zulks voor zien van een certificaat, houdende verzekering dat zij bevonden zijn in de voormelde categorie te vallen.

Art. 2
Het hoofd des bestuurs blijft bij het Gouvernement verantwoordelijk voor de waarheid van dat certificaat.

Art. 3
Acht dagen na dat dit besluit ter kennis van de onderscheidene Gouverneurs in de Noordelijke Provincien zal zijn gebragt zullen zij eene publicatie doen houden ter herinnering dat volgens ’s Lands wetten de bedelarij verboden is, en waarschuwing dat de genen die acht dagen na de bekendmaking dier publicatie zullen bevonden worden buiten de gemeenten waar zij woonachtig zijn te bedelen, zonder uitstel zullen worden gezonden naar eene der kolonien van de Maatschappij van Weldadigheid en dat die maatregel later ook zal worden toe gepast op hun die binnen de gemeenten waar zij woonachtig zijn bedelen.

Art. 4
De Maatschappij van Weldadigheid in de Noordelijke Provincien zal aan ieder Gouverneur in dezelve Provincien een bepaald getal opgeven ter concurrentie(? computatie denk ik) van het welk zij bedelaars die naar aanleiding van art. 3 zullen worden opgevat in de kolonien der Maatschappij, zonder voorafgaande waarschuwing zal kunnen opnemen, en die dus derwaards zullen kunnen worden opgezonden. Dit getal zal naar gelang van omstandigheden of van de meerdere of mindere talrijkheid van opgezondene of opgevatte bedelaars voor deze of gene Provincie kunnen worden gewijzigd.

Art. 5
Na dat de voormelde opgave aan de voornoemde Gouverneurs zullen zijn toegekomen zal de opzending van dusdanige personen, om de acht dagen of desnoods vroeger, kunnen worden bewerkstelligd en verzeld gaan van lijsten bevattende
a de naam
b de geboorteplaats
c den ouderdom
d den physieken toestand
en het beroep van ieder persoon
en f het aantal leden tot zijn huisgezin behorend

Van deze lijsten zullen extracten worden gezonden aan onzen Minister van Binnenlandsche Zaken en Waterstaat. Van wege de Maatschappij zal voor het overbrengen van ieder bedelaar die naar dezelver kolonien zal worden opgezonden betaald worden vijftig cents voor ieder uur gaans afstand, van de hoofdplaats van het kanton van waar de bedelaars komen zulks ter goedmaking van de kosten van transport en ter voorkoming van het ontloopen.

Art. 6
De verzorging der alzoo opgezonden wordende bedelaars blijft voor rekening van de gemeente tot welke ieder bedelaar behoort.

Art. 7
De wezen en verlatene kindeen wier domicilie van onderstand in gevolge de wet van 22 november 1818 niet kan worden bepaalt zullen met de vondelingen worden gelijk gestelt.

Art. 8
De vondelingen en verlatene kinderen en wezen zullen voor rekening der voor die kinderen gestelde godshuizen en bij ontstentenis van dergelijke gestichten of in geval van ontroerekenbaarheid der inkomsten van deze voor die der gemeenten, in welker ressort die kinderen aan de publieke weldadigheid zijn overgelaten voor behoudens de subsidie uit de provinciaale fondsen aan dezelve te verleenen in de kolonien der Maatschappij opgenomen worden, en derwaards kunnen worden opgezonden.

Art. 9
Met de Maatschappij van Weldadigheid in de Noordelijke Provincien zal worden gecontioteerd(?) tegen de volgende prijzen als
Voor een bedelaar elken ƒ35 ’s jaars.
Voor een vondeling, verlaten kinde of wees, boven de 6 jare voor ƒ45 ’s jaars als wanneer bij ieder achttal derzelven drie bedelaars gratis overgenomen zullen worden.
Voor ieder huisgezin per hoofd ƒ22:50 ’s jaars
Voor den vondeling, verlaten kind of wees boven de 2 en onder de 6 jaren ƒ40 ’s jaars; zullende denzelven, zoodra zij 6 jaren bereikt hebben in de 2e categorie worden opgenomen. (bijgeschreven: N.B. volgens het contract ƒ50-)

Art. 10
In alle gevallen zal er provisioneel met de Maatschappij van Weldadigheid in de Noordelijke Provincien kunnen worden gecontracteerd voor een globaal getal van 4000 vondelingen, verlaten kinderen of wezen, 500 huisgezinnen uit vijf hoofden ieder bestaande, van 1500 bedelaars, en wel tegen betaling van ƒ45 ’s jaars, gedurende 16 jaren; voor elk der voorg. 4000 kinderen – overeenkomende met ƒ22:50 ’s jaars per hoofd – en onder de verdere voorwaarden door deze Maatschappij voorgesteld, behoudens evenwel de bepaling hiervoren gemaakt voor kinderen onder deze jaren.

Art. 11
De Gouverneurs in de Noordelijke Provincien, zullen zoodra mogelijk alle stedelijke en gemeente bedelaars (besturen denk ik) met ons verlangen bekent maken dat daar alle gepaste middelen de deelneming der ingezetenen als leden van de Maatschappij van Weldadigheid aldaar a l oinme(?) worden aangemoedigd; zullende te dien einde de Commissie van Weldadigheid lijsten aan die Gouverneurs doen toekomen, die dezelve aan de gemeente besturen zullen verzenden van daarop inteekening als lid te verkrijgen.

Art. 12
Voor zoo verre de sub commissien van de Maatschappij van Weldadigheid daarmede genoemen mogten nemen, zullen de vrijwillige inschrijvingen voor het lidmaatschap der Maatschappij in mindering kunnen strekken van de sommen die de gemeente voor het onderhoud der bedelaars met welke zij belast zijn op hunnen worden te betalen hebben; zoodanig dat in zulk een geval, in dien de inkomsten der Maatschappij, uit de contributien en giften voortvloeijende, toereikende mogten zijn om in het onderhoud derzelve te voorzien, geene nadere bijdragen voor de gemeenten voor zoodanige bedelaars in de kolonien der Maatschappij verzorgd wordende, zouden behooren plaats te hebben.

Art. 13
De Provinciale Staten zullen het toezigt voeren over het beheer der fondsen, toetestaan aan de godshuizen, waar vondelingen en verlatende kinderen onderhouden worden en zullen van ons mogen voordragen zoodanige aanwijzingen van onderstanden, als zij noodig zullen achten op de fondsen, volgens art. 14 van de wet van 12 july 1821 – Staatsblad N9 – daartestellen en zulks met in uitzondering(?)

a dat de inkomsten dezer godshuizen en de onderstanden gelden der steden, tot het onderhoud der voormelde kinderen, in de eerste plaats zullen worden gebruikt tot dezelfde sommen die daarvoor thans werkelijke bestemd zijn, tenzij, om billijke redenen, de onderstanden der steden mogten erken worden eenig vermeerdering te moeten ondergaan.

b dat in zoo verre, en zoo lang het getal der kinderen in de kolonien der Maatschappij te plaatsen, in eene provincie niet zal zijn uitgeput, het subsidie of gedeeltelijke subsidie door de Provinciale Staten op de provinciale fondsen, of door de gemeente besturen op de gemeente fondsen daar voor aan te wijzen nimmer zullen kunnen te bovengaan, de som van ƒ30 per hoofd, ten zij zulks mogt dienen om de kinderen te plaatsen in de landbouwende kolonien op de overeengekomen voorwaarden of wijl dat mogt kunnen bewezen worden, dat zij voordeeliger elders kunnen worden onderhouden; en

c dat in het laatste geval de Provinciale Staten of de gemeente besturen de keus zullen hebben om door erkende bezuinigende middelen in het lot der vondelingen en verlatene kinderen te voorzien.
En zal onze Minister van Binnenlandsche Zaken en Waterstaat dien overeenkomstig eene instructie voor de Provinciale Staten in de Noordelijke Provincien ontwerpen, en dan ook ter goedkeuring aanbeiden, waarin onderanderen de beginselen sub b en c aangenomen, zoodanig van toepassing zullen moeten worden gemaakt op de subsidien door de gemeenten tot onderhoud der vondelingen en verlatene kinderen toegestaan, dat de sommen, de gemlde prijsbepaling te bovengaande, niet zullen worden geleden in de begrooting der gemeenten.

Art. 14
De gemeente besturen zullen moeten afkondigen dat, daar eerlang van de genen die bedelen binnen de gemeente waar zij woonachtig zijn, op de wijze bij art. 3 omschriven zullen worden behandeld, aan de bedelaars tot de gemeente behorende de gelegenheid wordt aangeboden om zich aan te geven, ten einde naar de inrigtingen der Maatschapij van Weldadigheid te worden overgebragt, alwaar hun arbeid en in vergelding daarvoor onderhoud wordt toegezegd, met die mate van vrijheid die hun eigen gedrag zal verdienen. Zij zullen hen tevens onder het oog brengen, dat hunnen kinderen voor zoo verre het niet verkieselijker moet gevonden worden, om deze toe(?) achter te laten, hen kunnen vergezellen, en dat zij door arbeid, nijverheid en goed gedrag, aanspraak op eene zachte behandeling zullen verkrijgen, zoo dat zij het aan zich zelve alleen te wijten zouden hebben, zoo er ten hunne aanzien strengere maatregelen moesten worden genomen.

Art. 15
Daarentegen zullen de bedelaars die geen gebruik der voorm. aanbieding maken en mogten voortgaan met bedelen, worden opgevat en over het algemeen met meerdere strengheid worden behandeld.

Art. 16
Van de personen die zich vrijwillig mogten aangeven om in de gestichten der Maatschappij van Weldadigheid te worden geplaatst zullen door de gemeente besturen extract lijsten worden aangeboden aan onze Minister van Binnenlandsche Zaken en Waterstaat, bevattende
a de naam
b de geboorte plaats
c den ouderdom
d den physieken toestand
e het beroep van ieder persoon
f het aantal leden tot een huisgezin behorende.

Art. 17
Na het inkomen dezer lijsten zal onze voornoemde Minister dezelve doen toekomen aan de Maatschappij van Weldadigheid, en met deze overeenkomen wegens den tijd en de wijze van opzending, en het getal der op te zenden personen, daarbij vragende eene opgave tot welke gemeente dezelve behoorden. En al van het een en ander door de zorg van onze Minister van Binnenlansche Zaken en Waterstaat kunnen worden gegeven aan de belanghebbende gemeente besturen en voorts door Gedeputeerde Staten het noodige worden verrigt ten einde de bedoelde personen, tegen het bepaalde tijdstip, naar de kolonien der Maatschappij worden aangebragt; terwijl, nu de overbrenging dier personen, zoo mede van de vondelingen, verlatene kinderen en wezen van dezelve nominatieve lijsten aan onzen voornoemden Minister door Gedeputeerde Staten zullen worden toegezonden met aanwijzing der godshuizen of der administratien, belast met het verleenen van onderstand aan de huiszittende armen tot welke zij behoren.

Art. 18
De voldoening van de Maatschappij van Weldadigheid van de in voege voorz. gecontracteerde armen, wordt gegarandeerd op de inkomsten der daarbij betrokken gestichten, de gemeente inkomenten, en des noods op de subsidien uit de zes op centen ten behoeven van ieder provincie op de denote(?) belastingen te heffen, krachtens art. 14 der wet van den 12 july 1821 – Staatsblad N9 – zullende derhalve tusschen die Maatschappij en onzen Minister van Binnenlandsche Zaken en Waterstaat contracten behouden in onze goedkeuring worden aangegaan.

Art. 19
Bij het aangaan der contracten zal er worden gelet op de verhouding, welke bestaan zal tuschen het aantal van bedelaren en dat der vondelingen, als mede op de verhouding tusschen het getal wezen en dat der huisgezinnen, ten einde de uitgaven voor de vondelingen en wezen zoo veel mogelijk te verminderen.

Art. 20
Voor het vervolg zullen de Gedeputeerde Staten der Noordelijke Provincien telken jare in den loop van de maand januarij aan onzen Minister van Binnenlandsche Zaken en Waterstaat opgeven, het getal der vondelingen, wezen en andere vrijwettige(?) personen die voor de kolonien der Maatschappij van Weldadigheid bestemd zullen zijn.

Art. 21
Onze Minister voornoemd zal alsdan op gelijke wijze als bij art. 18 en 19 is vermeld, met de Maatschappij overeenkomen omtrent het tijdstip, waarop die personen in de kolonien der Maatschappij zullen kunnen worden opgenomen, en met dezelve te hun aanzien de noodige contracten aangaan en aan onze goedkeuring onderwerpen.
Onze Minister van Binnenlandsche Zaken en Waterstaat is belast met de executie dezes, waarvan kennis zal worden gegeven aan de commissie benoemd bij ons besluit van den 3 januarij 1822 N36, en aan de Maatschappij van Weldadigheid in de Noordelijke Provincien.