F.C. van Midlum, employé

F.C. van Midlum is in 1823 zaalopziener en vanaf januari 1824 onderdirecteur-binnen.

Zonder dat zijn naam genoemd wordt, komt Van Midlum voor in De bedelaarskolonie als de employé die te voet komt, blz 138, als de zaalopziener die wordt bevorderd tot onderdirecteur, blz 210, en als de man die ten onrechte het woord ‘onbevoegd’ gebruikte, blz 237.

Hij wordt voor het eerst genoemd in een brief dd 4 januari 1823 van vervangend directeur Falck aan de Permanente Commis­sie (Drents Archief, toegang 0186, invnr 64)

Dat de onderofficier H. Drees reeds werke­lijk in de Ommerschans is aangekomen, en in functie gesteld, doch dat Holst Serp en van Midlum nog niet zijn gearriveerd.

Ene H. van Vollenhoven uit Amsterdam schrijft op 11 januari 1823 over hem aan de Permanente Commissie (Drents Archief, toegang 0186, invnr 64):

Ik heb met veel genoegen ontvangen uwe missive van 9 dezer met de aanstelling voor van Midlum in de Ommerschans en bedank UWelEd daar voor zeer, terwijl ik mij overtuigd houde dat de keuze van zijn persoon zeer geschikt is en hij voldoen zal. Immers heeft hij zich onder mijn oog zeer braaf en werkzaam gedragen, zoo zelfs dat zijne medearbeiders regretteren dat hij hun verlaat. Ten uiterste dankbaar voor zijne aanstelling vertrekt hij morgen te voet derwaarts en rekent dat hij woensdag avond aldaar zal zijn.

Als Jacob Harloff is bevorderd van onderdirecteur-binnen tot adjunctdirecteur, blijkt Van Midlum de nieuwe onderdirecteur te zijn blijkens een brief dd 22 maart 1824 van directeur Visser aan de Permanente Commissie (Drents Archief, toegang 0186, invnr 68)

Door de aanstelling van de zaalopziener van Midlum tot onder Direkteur is een plaats open gevallen. Ik zal dezelve door eene op het Algemeen Bureau geemployeerde (Donninger) provisioneel doen vervullen

Hij wordt genoemd als degeen die abusief het woord ‘onbevoegd’ had gebruikt in de kwestie van de geweigerde Groningse bedelares Roelofje Roelfs Jaringa, zie aldaar.

Van Midlum wordt genoemd in de brief dd 13 januari 1825 van directeur Visser aan de Permanente Commissie (Drents Archief, toegang 0186, invnr 72) waarin hij rapporteert over zijn onderzoek naar de bedorven erwten (De bedelaarskolonie blz 235-236):

(…)
Dat verder die erwten te Ommerschans zijn ontvangen door den onderDirekteur van Midlum en magazijnmr. Giessen.
(…)
Wijders geef ik mij bij deeze gelegenheid de eer de Permanente Kommissie met de gewone wijze van aankoop van alle goederen zoo voor de kolonie N5 als Ommerschans bekend te maken; de onder Direkteurs onder­handelen, het zij in persoon, of door brieven met de onderscheidene leveran­ciers tot zoo lang zij het onderling over den prijs eens zijn, dan onderwerpt de onderDirekteur die overeenkomst aan den adj. Direkteur, met overlegging der monsters, deze de gevraagde prijs billijk vindende word de koop geaccep­teert, terwijl de monsters bij Adj. Direkteur blijven berusten, zoo als ook nog de monsters der bewuste erwten bij hem waren, na de aflevering geeft de magazijnmr. een bewijs van het getal ponden of maten welke zijn afgeleverd, aan den leverancier zoo die daar tegenwoordig is, deeze gaat daar mede bij den Adj. Dir. en ontvangt zijn geld naar den bedongen koopprijs; is de leverancier niet tegenwoordig, wordt door den magazijnmr. bij gen. bewijs nog gevoegd de vragtbrief of connosement tot vergelijking en door adj. dir. betaalt per wissel of assignatie, de ond. dir. in ontvang en stelt dezelve op het onder direkteurs of eenig ander boek waar het behoord in uitgaaf:

Het is onbekend wanneer het dienstverband van Van Midlum tot een einde komt, als in 1828 het personeelsregister wordt aangelegd, werkt hij er in ieder geval niet meer.