Jacob Torenvliet, bedelaar

Ik heb van onderstaamde archiefstukken over Torenvliet/Fròhm ook een verhaaltje gemaakt, zie hier.

Jacob Torenvliet maakt deel uit van het tweede transport Sepp, de bootreis over de Zuiderzee, beschreven in De bedelaarskolonie p 151-154 en in de Star van juni 1823 p 490 ev, met aankomst op de Ommerschans dd 23 april 1823. Er is een lijst van alle deelnemers aan dat transport.

Hij krijgt bij aankomst in het boek gemerkt A (Drents Archief, toegang 0137.01, archief van de Rijkswerkinrichtingen te Veenhuizen en Ommerschans, invnr 422) het bedelaarsnummer 730. Volgens die inschrijving is hij geboren 2 februari 1808 te Gouda, als zoon van Arie en Katharina Keets, maar het is de vraag of die gegevens kloppen (zie verderop).
Jacob Torenvliet is vijf voet, vijf palm en acht streep lang, hij heeft een ovaal aangezicht en een rond voorhoofd, blauwe ogen, een spitse neus, een langwerpig spitse kin, blond haar en als bijzonder kenmerk ‘pokdalig’.

Uit een brief van de subcommissie van weldadigheid Rotterdam dd 3 januari 1824 aan de Permanente Commissie blijkt dat hij helemaal geen Torenvliet heet (Drents Archief, toegang 0186, invnr 68):

In onze laatste vergadering heeft zich vervoegd zekere huisvrouw van Joh. Fred. Wilh. Frum, te kennen gevende, dat haar zoon nu 10 maanden geleden zich uit het ouderlijke huis verwijderd, en welke zij vernomen heeft, dat in het gesticht te Ommer­schans is geraakt, verzoekende alzoo de tusschenkomst dezer kommissie, om zijn ontslag van daar te bewerken:
wij solliciteeren hierop UWEd minzaam antwoord, om, indien er termen aanwezig zijn
waarop dit verzoek kan worden geakkordeerd, met bijvoeging der voorwaarden.

P.S. De voorn. jongeling Frum heeft na dat hij in de courant gezien had dat zijn ouders hem te rug wenschten, te Amsterdam alwaar hij toen was, de naam aangenomen van J. Torenvliet, waar mede bij dus in de Ommer­schans bekent zal zijn.
Hij heeft nu een brief met schuldbekentenis en verzoek om bij hun te rug te mogen komen aan zijn ouders geschreven; deze zijn ordentelij­ke burgerlieden en volkomen genegen aan dat verzoek te voldoen, maar zij zijn zelve in bekrompen toestand, de vrouw schoonmaak­ster in een van onze stadgodshuizen.
De jongen is barbier en bragt door zijn goede oppassing ƒ3 in ’t huishouden per week in, hij is zeker verleid gewor­den.
Dan hoe dit zij wij verzoeken hij ten spoedigste ontslagen en op hier gezonden worde, als moest dat ook een bagatel van ƒ5, ƒ10 a ƒ12 kosten.
UE antwoord hier op ten prompste te ontvangen zal ons aangenaam zijn om te weten wat wij de bedrukte ouders kunnen zeggen.

Aha, een ruzie in de huiselijke kring. Maar men wil het goedmaken en de subcommissie Rotterdam melt dd 9 april 1824 begrepen te hebben dat ze bij een ander loket moet zijn (Drents Archief, toegang 0186, invnr 69):

Konform het voorschrift, vervat in het laatste gedeelte uwer geeerde van den 12 januarij ll., hebben wij, ten einde ontslag van den zich noemenden Jacob Toornvliet uit de Ommerschans te obtineeren, Zijne Excellentie den Minister van Binnenlandsche Zaken per missive geadieerd.
Hierop hebben wij rescrip­tie ontvangen van den Heer Staatsraad Administrateur voor het Armenwezen en de Gevangenissen, inhoudende, dat de voorz. Jacob Toornvliet, daartoe termen bevonden wordende, overeenkomstig het bestaand kontrakt, zal worden begrepen in de eerste aan Zijne Excellentie den Minister voormeld daartoe intezenden voordragt.
Daar wij nu vertrouwen, dat UWEd. gaarne zal willen medewerken tot het wel gelukken van deze onze demarche, zoo solliciteeren wij ten deeze UWEd. favorabel advies, met bijvoeging, dat, indien er onverhoopt aan de bij het reglement gerekwireerde verdiensten of over­winst van ƒ25- door Toorn­vliet, iets mogt ontbreken, zijne familie bereid is, het deficieerende bijeen te sprokkelen ten fine van suppletie, indien dezelve namelijk, als verkeerende in eenen bekrompen toestand, daarvan niet kan worden gelibereerd.

De subcommissie is dus weer terug bij de Permanente Commissie en spoort ze dd 27 april 1824 nog eens aan (Drents Archief, toegang 0186, invnr 69):

In onzen laatsten namen wij de vrijheid UWEd. nader te verzoeken om het ontslag van den zich noemende Jacob Toorenvliet uit de Ommerschans te willen bewerkstelligen, wij hebben nu gemeend UWE inleggende brief van den gemelden jongman aan zijne ouders te moeten toezenden, daar toch ingevolge het schrijven van den Heer Staatsraad Administrateur voor het Armwezen en de Gevangenissen het gemelde ontslag van UWEd. gunstige voordragt afhangt.

Inmiddels gaat er nog iets anders spelen omdat de jongeman Gouda al geboorteplaats heeft opgegeven. De administrateur meldt 28 april 1824 aan de Permanente Commissie (Drents Archief, toegang 0186, invnr 69):

Gedeputeerde Staten van Zuid Holland hebben mij de hierne­vens gevoegde copie eener aan hun, door Burgemeester en Wethouders der stad Gouda gerigte missive medegedeeld, betreffende den persoon die zich ;onder den naam van Jacob Torenvliet in de Ommerschans bevindt.
Deze persoon, wiens regte naam die van Fröhm schijnt te wezen, zal, zoo hij nog niet meerderjarig is, het domicilie van onderstand zijns vaders moeten volgen.
Ik verzoek UWelEdelen bij den voormelden Torenvliet, dien aangaan­de informatien in te winnen, en geef UWelEdelen in consideratie om, ter vermijding van verwarringen, die door eenen verkeerd opgegeven naam kunnen ontstaan, den meergemelden Torenvliet onder zijnen waren naam, op de registers der in de Ommerschans geplaatste aanwezige personen, te doen aantekenen.

De Permanente Commissie reageert daar 7 mei 1824 op (Drents Archief, toegang 0186, invnr 355):

Ons is den 2 dezes wel geworden UWHEdG. missive van den 28 april ll. N2 met den daarbij gevoegde kopiebrief van burgemeester en wethouderen te Gouda.
Aangaande der daarbij verm. bedelaar, zich noemende Jacob Toorenvliet, kunnen wij UWHEdG. berigten dat deze persoon, ingevolge de voorhanden stamlijst eerst 16 jaren, en dus minderjarig is, en zijne ouders thans woonachtig zijn te Rotterdam, alwaar hij ook bij de stedelijke regering zeer bekend staat; zijnde hij dezelfde, welke wij naar aanleiding van UW­HEdG. missive van den 11 february ll. N26, op de eerst volgende voordragt tot ontslag hebben genoteerd.
Wat de door dien persoon aangenomen naam van Torenvliet, in plaats van zijn eigenlijken naam Fröhm, betreft, zijn wij van gevoelen, om denzelven voortaan onder beide die namen te noteren, zoodanig dat op alle stukken, hem betreffende, de bedoelde persoon daaruit steeds blijkt.

Terwijl men over administratieve zaken doorlebbert, zit de subcommissie Rotterdam niet stil. Ze hebben de administrateur bestookt en die meldt 20 mei 1824 aan de Permanente Commissie (Drents Archief, toegang 0186, invnr 69):

De Staatsraad Administrateur voor het Armwezen en de Gevangenissen, op de voordragt van de subcommissie der Maatschappij van Weldadigheid te Rotterdam; tot het verleenen van ontslag aan J.W.G. Fröhm, die zich, onder den naam van Jacob Torenvliet in de Ommerschans bevindt … Authoriseert de Permanente Commissie voorn. om den voormelden J.W.G. Fröhm tot zijne ouders te Rotterdam te doen wederkeren.

Jacob Torenvliet alias Johan Willem Frederik Fröhm wordt 8 juny 1824 ontslagen. En zal vermoedelijk naar zijn ouders zijn teruggekeerd.

19 augustus 2013, Wil Schackmann